Bijeenkomst 1 | Systematisch duiden van probleemgedrag bij NAH: probleemverheldering, perspectieven en hypothesevorming
Bijeenkomst 2 | Van casusanalyse naar handelen: differentiaaldiagnostiek, interventies, consultatie en verwijzing
Deze cursus is blended en praktijkgericht ontworpen. De diagnostische en empirische cirkel vormen de vaste ruggengraat van de cursus: van probleemverheldering naar hypothesevorming, toetsing, interpretatie en vertaling naar handelen. De docenten schrijven vanuit eigen expertise en ervaring in het werkveld een uitgebreide casus die als rode draad door de cursus zal lopen.
De online voorbereiding is ondersteunend aan het casuswerk. Deelnemers maken vooraf kennis met het multifactorieel verklaringsmodel en verzamelen informatie over een eigen casus. De theorie dient steeds als hulpmiddel om gedrag systematisch te duiden.
Tijdens de klassikale bijeenkomsten analyseren deelnemers complexe gedragsproblematiek bij mensen met NAH stap voor stap volgens de diagnostische en empirische cirkel: eerst het probleem en de context verhelderen, vervolgens hypotheses formuleren vanuit neurologische, neuropsychiatrische, psychologische en contextuele perspectieven, daarna de hypotheses toetsen met dossierinformatie, observaties, meetinstrumenten, zelfrapportage of aanvullende diagnostiek, en ten slotte de bevindingen interpreteren en vertalen naar passende interventies, behandeladviezen, consultatie of verwijzing.
Een vast onderdeel binnen de onderkennende fase is probleemgedrag in kaart brengen. Deelnemers leren systematisch verzamelen wat al bekend is en wat nog ontbreekt via observatie, dossieranalyse, heteroanamnese, zelfrapportage waar mogelijk en passende screenende instrumenten. Deze informatie vormt de basis voor probleemverheldering, hypothesevorming en het bepalen van vervolgstappen.
Binnen de verklarende fase werken deelnemers hypotheses systematisch uit volgens de clusters van het multifactorieel verklaringsmodel:
- directe en indirecte gevolgen van het hersenletsel, zoals cognitieve stoornissen, stemming, angst, slaap, somatiek en belastbaarheid;
- premorbide factoren, zoals ontwikkelingsgeschiedenis, psychologische veerkracht, psychiatrische voorgeschiedenis, neurobiologische ontwikkelingsproblematiek, trauma, hechting, persoonlijkheid en intellectueel functioneren;
- contextfactoren, zoals bejegening, systeemproblematiek, cognitieve of sensorische overvraging of ondervraging vanuit de omgeving en andere omgevingsfactoren.
In de toetsende fase staat steeds de vraag centraal: wat kun je als arts zelf toetsen, waarvoor verwijs je en wanneer consulteer je? Deelnemers leren per hypothese bepalen welke informatie nog nodig is, welke bronnen zij zelf kunnen benutten, wanneer overleg met collega’s passend is en wanneer aanvullend onderzoek of verwijzing naar gespecialiseerde expertise nodig is.
Neuropsychologisch onderzoek (NPO) wordt daarbij niet alleen gezien als diagnostisch middel, maar als informatiebron voor besluitvorming. Deelnemers oefenen met wat zij zelf uit eerder NPO kunnen afleiden over cognitief functioneren, belastbaarheid en gedragsverklaringen; wanneer interpretatie of consultatie door een klinisch neuropsycholoog nodig is; en wanneer aanvullend of uitgebreid NPO aangewezen is voor hypothese-toetsing, behandeladvies of verwijzing.
Deelnemers brengen eigen casuïstiek in en oefenen met klinisch redeneren, gezamenlijke besluitvorming en het expliciteren van de rol van de arts binnen behandelteam en zorgketen. Je moet rekening houden met een tijdsinvestering van ongeveer 8 uur per bijeenkomst voor voorbereiding, literatuurstudie en toepassingsopdrachten.
Literatuur
We laten je ruim voor de startdatum van de cursus via onze online leeromgeving weten over welke boeken je moet beschikken. Naast de aan te schaffen literatuur vind je in de online leeromgeving ook eventuele aanvullende artikelen, het cursusprogramma en voor elke bijeenkomst de voorbereidende opdrachten.