Supervisie geven aan gedragswetenschappers

Met nieuw competentieprofiel voor supervisoren

‘Van onszelf zeggen dat we iets goed hebben gedaan, poeh, dat vinden we zo moeilijk’

‘Oh, dat is wel heel anders dan ik altijd heb gedacht.’ Dit is wat Jelle Drost en Linda van der Harg regelmatig terug horen van cursisten. Het duo vormt het hoofddocententeam van de cursus Supervisie geven aan Gedragswetenschappers. Linda: ‘Vaak denken cursisten dat zij als supervisor moeten weten wat in het werkveld van hun supervisanten het juiste is om te doen, en dat ze hun supervisanten daarop moeten sturen. Wij zeggen heel sterk: “Nee, dat kunnen supervisanten zelf. Ze moeten alleen even ontdekken dat het erin zit. Kijk of jij die luikjes open kan trekken zodat ze zelf op zoek gaan. Dan maak je iemand sterk in zijn eigen vak.”’

Jelle en Linda, beiden orthopedagoog-generalist (BIG), geven zelf het liefst supervisie aan gedragswetenschappers die in een ander werkveld opereren dan waarin ze zelf werkzaam zijn. Jelle: ‘Dan kan ik neutraler en echt oprecht naïef zijn. In een gesprek met een gedragswetenschapper uit hetzelfde werkveld kun je al gauw krijgen: oh, ze zal dit wel bedoelen. Dat is niet goed.’ ‘Linda: ‘Ik doe zelf bijvoorbeeld nooit dyslexiezorg, en geef nu supervisie aan gedragswetenschappers die in dit werkveld werken. Daardoor kan je veel makkelijker nieuwsgierig zijn. Supervisie gaat veel meer over de persoon zelf dan over de casuïstiek waarmee de supervisant te maken heeft.’

In dit artikel gaan Jelle en Linda in op:

  • Supervisie of werkbegeleiding?
  • Dé uitdaging en het doel van supervisie
  • Nieuw competentieprofiel voor supervisoren
  • Emoties en basiscommunicatie
  • Eigen stijl
  • Cursus Supervisie geven aan Gedragswetenschappers

Supervisie of werkbegeleiding?

Over wat supervisie precies is, blijken gedragswetenschappers niet altijd het juiste beeld te hebben, merken Linda en Jelle in hun supervisiepraktijk en de cursus. ‘Supervisie wordt vaak verward met werkbegeleiding’, legt Jelle uit. ‘Bij werkbegeleiding waar bijvoorbeeld beginnende psychologen en pedagogen mee te maken hebben, gaat het puur om de casuïstiek. Dat gaat veel minder over de vraag “Welke rol speel jij in dat proces als je er van boven tegenaan kijkt?” De persoon van de supervisant speelt in werkbegeleiding veel minder een rol. Er is wel enige overlap tussen die twee, dat zeker wel, maar supervisie en werkbegeleiding zijn absoluut niet hetzelfde. Supervisie gaat over je rol als professionals in je functie en de organisatie: “Wat is jouw positie? Waar ben je verantwoordelijk voor en waarvoor niet? En hoe zit jij daar dan in?”

Eerlijk naar jezelf kijken

Linda: ‘Normaliter stap je je werkdag in, rolt er doorheen en voor je het weet is je werkdag voorbij. En zo vliegen de weken voorbij. Bij supervisie sta je even stil en denk je: wat ben ik nou eigenlijk aan het doen? Het gaat om eerlijk naar jezelf kijken. Dus dat je durft te zeggen: “Daar ben ik trots op.” Of, “dat vind ik heel moeilijk en vermijd ik stiekem.” Dat hebben we allemaal, alleen dat vertellen we niet zo heel makkelijk tegen elkaar. En het daar wel over hebben, dat is supervisie. Dat je je afvraagt: “Hoe zit ik in elkaar in mijn werk? Waarvan geniet ik nou? Wat is nou eenmaal zo? En wat vind ik iedere keer weer spannend, en hoe kan ik mezelf over dat een drempeltje heen halen?”’ Daarbij stilstaan is vaak wat mensen niet doen. Dat is al een hele winst. En als je kan duiden wat er aan de hand is, weet je ook aan welke knoppen je kan draaien om je werk leuker en jezelf als professional beter te maken.’

De oefening met de hand

Jelle: ‘Wat Linda net vertelde is precies de oefening met de hand waarmee wij de cursus Supervisie geven beginnen in het voorstelrondje. De duim: waar ben ik trots op?, de wijsvinger: waar wil ik naartoe? De middelvinger: waar heb ik een hekel aan? De ringvinger: waar ben ik trouw aan? En de pink: waar ben ik klein in? Dat is de kern van supervisie. Op basis van de antwoorden die supervisanten geven kun je een supervisieplan maken.’

Gelijkwaardigheid

De oefening met de hand is een mooi voorbeeld van hoe Jelle en Linda in de cursus staan. Wat zij belangrijk vinden in supervisie, doen zij ook in de cursus. Jelle: “Wij gaan op een manier met de cursisten om, waarvan wij denken dat de cursisten op die manier zouden moeten omgaan met hun supervisanten en de supervisanten op hun beurt met hun clientsystemen.’ ‘Dat zijn de drie trapjes of drie niveaus waarop we werken. Gelijkwaardigheid is daarin het kernwoord’, legt Linda uit. ‘We zijn allemaal aan het leren. Een veilige plek creëren waar je dat kan doen, daar begint supervisie dus mee. Dit doen we in de cursus door te laten zien dat wij ook gewoon ons best doen. Jelle: “Door te vertellen over de fouten die we zelf hebben gemaakt, stellen wij ons kwetsbaar op. Wij zijn ook ooit als supervisor begonnen.’ Linda: ‘Als de ontspanning er is in de groep, kunnen mensen oefenen, fouten maken, erom lachen, van elkaar leren. Daarna kunnen ze los in het echie, want dan hebben ze het al een keer geoefend op een veilige plek.’

Dé uitdaging van supervisie

Een belangrijk punt om op te letten tijdens het geven van supervisie is volgens Linda dat de supervisant het onderscheid tussen supervisie en werkbegeleiding zelf niet maakt. ‘Als je niet oplet gaat het over planning of een casus, en gaat een supervisant jou als werkbegeleider gebruiken.” Jelle knikt: ‘Zonder meer.’ Linda: ‘Dat is waar je heel erg op moet sturen. En het mooie van supervisie is dat je een hele periode met elkaar op weg gaat. Dus supervisanten leren dat. Dan denken ze: dan gaat ze natuurlijk weer vragen: “Hoe kijk je ernaar? Wat werkt er goed voor jou?” Daarop sturen, is het belangrijkste wat je moet doen als supervisor. Want als jij niet stuurt, gaan supervisanten met je aan de wandel en kom je niet op die diepere laag. Als supervisor vind ik het mijn taak dat mensen meer gaan reflecteren. Als ze dat beter gaan doen, dan is supervisie denk ik geslaagd.’

Oplossingsgericht

Jelle: ‘Interessant hierbij is ook dat supervisanten vooral geneigd zijn de supervisie te gebruiken om dingen te bespreken die niet goed zijn gegaan. Dus om problemen aan te pakken. Terwijl wij, en dat zit ook helemaal in onze cursus verweven, vrij oplossingsgericht werken. Wij kijken vooral naar succeservaringen. We rafelen die helemaal uit om vervolgens te gaan kijken of we die ervaring kunnen generaliseren naar andere situaties. Als professionals zijn we gewend om dat met onze cliënten te doen, maar om van onszelf te zeggen dat we iets goed hebben gedaan, poeh, dat vinden we zo moeilijk.’

‘Het loopt eigenlijk wel’

‘Voor veel mensen is dat inderdaad een eyeopener”, voegt Linda toe. Van “oh ja, daar kan het ook overgaan. Of dat supervisanten zeggen: “Het loopt eigenlijk wel. Dus ik weet niet wat ik in moet brengen.” Dan kun je het hebben over situaties die goed gaan en waarom. En hoe je dat kan gebruiken in situaties waarin het moeilijker gaat. Dus eigenlijk ga je dan kijken naar iemands talenten. Jelle: ‘En, hoe iemand die talenten verder kan ontwikkelen. Daar gaat supervisie over. Dat is ook hoe de hulpverlening tegenwoordig werkt: hoe kun je wat goed is gegaan, versterken en dat gebruiken.’

Nieuw competentieprofiel voor supervisoren

Linda en Jelle maken in hun cursus gebruik van een door henzelf ontwikkeld competentieprofiel voor supervisoren. In dit artikel treden ze daarmee voor de eerste keer mee naar buiten. Jelle: ‘Er bestond al wel een profiel, maar daar kan niemand mee uit te voeten omdat het heel oud en te technisch is. Wij werken nu zo’n zes jaar met ons eigen competentieprofiel. Voor andere supervisor-opleidingen kan dit denk ik als richtlijn, goed bruikbaar zijn.’

Download hier

Vijfpuntschaal schaal

Het competentieprofiel van Linda en Jelle heeft een vijfpuntschaal schaal. Aan de hand daarvan kunnen cursisten zichzelf aan het begin en einde van de cursus scoren om te kijken of ze zichzelf hebben zien ontwikkelen op de verschillende supervisorcompetenties. Zo wordt de ontwikkeling die is doorgemaakt meetbaar en concreet.

Competentie Werken met werkvormen

‘In het competentiemodel komt het gebruik van werkvormen aan bod’ noemt Linda als voorbeeld. ‘dat het niet alleen maar gaat over praten, praten. In de cursus besteden we daar een dagdeel aan. We vragen de cursisten een werkvorm mee te nemen waar ze zelf erg enthousiast over zijn, en die bundelen we met de lijst van werkvormen die we al hebben opgebouwd in de voorgaande edities van de cursus. Aan het eind van de cursus krijgen ze die mee naar huis als uitnodiging om met supervisanten iets te gaan doen. Met alleen praten over blijft waar het om gaat soms een beetje in de lucht hangen. Bijvoorbeeld: “Hé, hoe voelt het als ik naar die duplo-opstelling kijk, en wat zegt dat dan over mij?”

Het moet passen

Jelle: “We hebben dus al een koffer bij ons met daarin allerlei soorten werkvormen. Daar gaan we mee oefenen zodat cursisten eruit kunnen plukken wat bij hen past en waar ze enthousiast mee kunnen werken. In die koffer zitten ook werkvormen die ik nooit gebruik simpelweg omdat die niet aansluiten bij mijn stijl of mijn manier van werken. Het moet passen. Als ik een werkvorm gebruik die niet bij mij past, heeft de supervisant heel snel in de gaten dat ik iets kunstmatigs doe, dat ik een kunstje doe.’

Basiscommunicatie en het gebruik van video

Een ander thema waar Jelle en Linda veel aandacht besteden in supervisie is basiscommunicatie en de emoties die daarin een rol spelen. Jelle: ‘Daarbij let je heel sterk op de primitieve reacties die er in het gesprek zijn. Dus wat doet een mens? Hoe reageert een mens? Daarvan zie je veel terug in de non-verbale communicatie. Emoties heb je niet onder controle. Je lijf laat die zien. Het kan zijn dat wat je laat zien in je non-verbale communicatie, bijvoorbeeld iets met je verleden te maken heeft, en dat dit onbewust in je werk doorspeelt. Dus het is belangrijk om daar aandacht aan te geven.’

Met open mond

‘in de cursus laat onze collega Annemiek de Jong zien hoe je dat kunt doen met gebruik van video’, vervolgt Linda. ‘Je gaat kijken naar wat je bij jezelf ziet gebeuren en hoe de ander daarop reageert. Daarbij focussen we heel sterk op wat werkt. Dus dat mensen beseffen van “hé, dit kleine dingetje wat ik onbewust doe, heeft een positief effect.” Als je je dat bewust wordt, kun je dat aanpassen in je gedrag. Bij de cursisten gaan er dan heel veel luikjes open. Vervolgens gaan ze deze methode oefenen met andere cursisten en daarna in hun eigen supervisorpraktijk. Dit is niet wat er doorgaans gebeurt in supervisie, maar mensen halen er heel veel informatie uit. 15 seconde video is genoeg.’ Jelle: ‘Want patronen herhalen zich voortdurend. Vaak zitten cursisten met open mond als ze horen waarom het gaat terwijl ze zelf de beelden al drie keer hebben bekeken, en nog niet hebben ontdekt wat ze in een videobeeld onbewust laten zien.’

Eigen stijl

Linda en Jelle hebben allebei hun eigen stijl van supervisie geven. Dat vergroten ze in de cursus uit om te laten zien dat supervisie op veel verschillende manieren gegeven kan worden. Linda: ‘Wat we denk ik gelijk hebben is dat we allebei belangrijk vinden dat het eerlijk gaat over “Wat is nu echt voor jou van belang?” Hoe we dat aanpakken, doen we verschillend. Jelle is daar bijvoorbeeld een stuk directer dan ik. Die gaat wat meer op de man af. Dat gaat altijd goed. Ik heb wel eens iemand horen zeggen: “ik ga er niet omheen. Ik ga er doorheen.” Dat is wat jij doet, Jelle. En dan kom je snel tot de kern. Ik ben daar iets voorzichtiger in, iets zachter in het contact.’ ‘Ja, jij stelt het wat voorzichtiger’, beaamt Jelle.

Niet één waarheid

Linda: ‘Zo kunnen we ook voor de groep met elkaar een gesprek hebben over wat nou handig is om te doen. Daarmee laten we zien, dat er niet één waarheid is. Het gaat over dat het bij je past. Dan werkt het. Je moet gewoon eerlijk zijn.’ Jelle: ‘De cursist kan er tussenin gaan zitten of het heel anders gaan doen. Het kan allemaal. Dat geven we mee door het achterste van onze tong te laten zien: “Kijk dit is onze stijl, én dat gaat soms ook wel eens mis.” Ik vertel ook over supervisiemomenten die bij mij mis zijn gegaan vanwege mijn stijl en dat ik daarvan geleerd heb. En daar kunnen de cursisten weer van leren dat het dus blijkbaar op verschillende manieren kan.’ Linda: ‘Daarom bieden we ook al die verschillende werkvormen aan. En kan je, zoals Jelle eerder zei, eruit pakken wat je mooi vindt en ermee oefenen in de cursus. Als het dan misgaat, is er niks aan de hand.’

Face-to-face of online

Een ander verschil tussen Jelle en Linda is de keuze voor online of face-to-face supervisie. Jelle: ‘Ik let heel sterk op de non-verbale communicatie. Een oogtrekking, iets met een mondhoek of wenkbrauw. Daar doe ik wat mee, daar speel ik op in. Online is het heel lastig om dat goed te kunnen zien.’

Praktisch

Linda: ‘Ik deed het altijd face-to-face, en toen kwam corona. Nu wissel ik het af. Als ik mensen voor het eerst zie, dan zorg ik dat ik ze echt zie. Dan heb je een echte ontmoeting met elkaar. Daarna wissel ik het soms af met online omdat het ook gewoon praktischer in te vullen is voor mensen. Zeker als je elkaar die eerste keer goed in de ogen hebt gekeken en elkaar een beetje begrijpt, dan merk ik dat het online vaak ook werkt. Maar het blijft toch anders. Het is niet uitwisselbaar.

Het echte contact

‘Als je echt met elkaar aan tafel zit, dan heb je toch een andere manier van contact dan dat er een scherm tussen zitten. En dat betekent voor mij niet dat schermen zo slecht zijn dat er dus geen goede supervisie kan plaatsvinden. Er zijn ook supervisoren die alles online doen. Ik zou dan toch iets missen in het echte contact. Ik geloof daarom heel erg in de cursus live geven op een cursuslocatie. Dan heb je dat effect van echt contact en het live ervaren van de verschillen in hoe Jelle en ik supervisie aanpakken.’

Cursus Supervisie geven aan Gedragswetenschappers

De Cursus Supervisie geven aan Gedragswetenschappers waarvan Jelle en Linda de hoofddocenten zijn, loopt parallel aan een supervisietraject in de praktijk en heeft een doorlooptijd van een half jaar. Jelle: ‘De cursisten moeten in de loop van de cursus de mogelijkheid hebben om in de praktijk te brengen wat ze hebben geleerd. Wij maken ze warm voor iets. Dan gaan ze daar even mee oefenen, en daarna is het tijd om te oefenen in de praktijk. Als je het een aantal keer gedaan hebt, wordt het iets van jezelf. Dus oefenen, oefenen, oefenen.‘ Linda: ‘Bij de cursus hoort natuurlijk literatuur, maar wij gaan de literatuur niet doornemen. Het is de bedoeling dat dat vooraf gebeurt. Tijdens de cursusbijeenkomst gaan we het doen! Wij denken dat je daar meer aan hebt omdat je dan ook van elkaar veel kunt leren.’

Cursuspagina

Belangrijkste eyeopener van cursisten

Cursisten van deze cursus geven vaak aan dat ze voorafgaand aan de cursus altijd op het puntje van hun stoel hard aan het werk waren om met een oplossing te komen voor hun supervisant. Tijdens de cursus zijn ze tot het besef gekomen dat ze de supervisant die oplossing zelf moeten laten zoeken.

De kracht van de cursus zit hem in:

  • Face-to-face cursusbijeenkomsten
  • Een praktisch en toegankelijk competentieprofiel voor supervisoren
  • Veel aandacht voor een veilige sfeer waarin mensen fouten durven maken, daar om kunnen lachen en daarvan kunnen leren.
  • Ervaren docenten die elkaar aanvullen en van elkaar verschillen
  • Gebruik van video als leertool
  • Een enorme verzameling aan werkvormen opgebouwd sinds de start van de cursus

De docenten

Jelle Drost is Sociaal Pedagoog en Orthopedagoog-Generalist (BIG), GZ-psycholoog (BIG), Gezinstherapeut en Hypnotherapeut. Sinds de jaren ’70 is hij betrokken bij de problematiek van voornamelijk kinderen en jongeren met een Licht Verstandelijke Beperking (LVB) en Langdurig Problematische Gezinssituaties (LPGS). Tegenwoordig is hij directeur van het Expertisecentrum voor mensen met een Licht Verstandelijke Beperking, geeft hij les en supervisie in het (post) masteronderwijs aan de RUG en de Stichting Pedagogisch Onderwijs (SPO) te Groningen.

Linda van der Harg is Orthopedagoog-Generalist (BIG) en aangesloten bij het NVO. Momenteel werkt zij als regiebehandelaar bij een GGZ Poli binnen een organisatie voor mensen met een verstandelijke beperking. Hierbij doet ze onderzoek en behandeling bij systemen met kinderen en volwassenen met en zonder (l)vb. Daarnaast geeft Linda supervisie en is ze docent.